artikelen
Etnische zuivering die nooit is gestopt
Eildert Mulder (Trouw, 2 februari 2007)Eens was Ilan Pappe een gewone Israëlische jongen, die dacht dat de Palestijnen in 1948 vrijwillig hun land hadden verlaten. Nu spreekt hij, als historicus, van een etnische zuivering, die nooit is gestopt. „Veiligheid boven alles stellen kan niet. Ik wil geen Zuid-Afrikaanse Boer worden.”
Op de plek van Sheraton Tel-Aviv stond vroeger het ’rode huis’, een mooi, Mediterraans gebouw uit de jaren twintig. Daar viel op 30 maart 1948 het besluit tot een etnische zuivering van het toenmalige Palestina. Onder voorzitterschap van de latere premier David Ben Goerion besloten elf personen om zoveel mogelijk Palestijnen te verdrijven. Daarmee was het Palestijnse vluchtelingenprobleem geboren.
Ilan Pappe begint zijn nieuwste boek over de verdrijving van de Palestijnen in 1948 (’The ethnic cleansing of Palestine’) met de bijeenkomst in het ’rode huis’. Het boek staat vol gedocumenteerde feiten over de vernietiging van honderden Palestijnse dorpen en de gewelddadige verdrijving van ongeveer zevenhonderdduizend Palestijnen. Aangevuld met voorbeelden van latere verdringing van dat verleden, bijvoorbeeld met de aanleg van een dennenbosje of een themapark op de plek van een voormalig Arabisch dorp.
Afgelopen zondag promootte Pappe zijn boek in het Amsterdamse theater Desmet, als gast van ’Een ander joods geluid’ en UCP, ’United Civilians for Peace’. Inspiratie voor de titel leverde de Balkanoorlog, die de wereld vertrouwd maakte met het begrip ’etnische zuivering’.
Pappe, in een Amsterdams café: „Ik vind die term van toepassing. Het was minder wreed dan de Balkan, het was zeker geen genocide. Maar toch, wat de Palestijnen is aangedaan blijft wel een ernstige misdaad. En er is niemand voor bestraft, ook die elf van het ’rode huis’ niet. De wereld deed niets.”Ilan Pappe behoort tot een select groepje Israëlische ’nieuwe historici’, die de afgelopen jaren probeerden om een groot taboe in de Israëlische samenleving aan te pakken. Ze zochten bij elkaar steun om de storm van publieke boosheid te weerstaan maar lagen op den duur ook onderling overhoop.
In de jaren tachtig waren ze nog eensgezind, toen ze via archiefonderzoek historische mythes over ’1948’ doorprikten. Zoals het verhaal dat Arabische leiders de Palestijnen hadden opgeroepen om het land even te verlaten. In de tussentijd zouden de Arabische legers de nieuwe staat Israël van de kaart vegen waarna de Palestijnen konden terugkeren.
Dat verhaal bepaalde lange tijd het beeld, ook in Europa. Maar Pappe en zijn collega’s hebben er geen bewijs voor gevonden.Op den duur groeiden de ’nieuwe historici’ uiteen, niet zozeer over de feiten als wel over de interpretatie ervan, de beoordeling. Het was, zegt Pappe, niet langer een vakdiscussie maar een moreel debat.
Pappe is radicaal. Hij beschrijft een vooropgezette, geplande ’etnische zuivering’, waarbij het nodige bloed is vergoten, en weigert de verdrijving van de Palestijnen te zien als een gevolg van een oorlog.
Een van de argumenten, die hij in zijn boek aandraagt, is dat de dorpenvernietiging al vijf maanden aan de gang was, voordat de reguliere Arabische legers Palestina in mei 1948 binnenvielen, vlak nadat Israël zich onafhankelijk had verklaard. Er waren toen al een kwart miljoen Palestijnen verdreven. De dorpenvernietiging ging onverminderd door, ook toen Israël de Arabische legers moest bestrijden. Het voelde zich sterk genoeg om de etnische zuivering tegen de Palestijnen en de oorlog tegelijk aan te kunnen. In orders aan strijdgroepen heette de dorpenvernietiging tihur, schoonmaak.
Pappe’s collega Bennie Morris toont, in tegenstelling tot Pappe, wel begrip voor de Joodse leiders in 1948 en zegt dat ook hij de Palestijnen onder de toenmalige omstandigheden het land zou hebben uitgezet. Pappe: „Ik vind dat een verachtelijk standpunt.”
Voor Pappe staat de toekomst van zijn land op het spel. Israël moet een deel van het Midden-Oosten worden, dat kan alleen als er vrede is met de Palestijnen en daarvoor is nodig dat Israël de massale verdrijving van 1948 alsnog publiekelijk afkeurt.
Volgens hem is het niet alleen een pijnlijke kwestie uit het verleden maar werkt de mentaliteit van de etnische zuivering nog steeds door, in de niet aflatende uitbreiding van nederzettingen en andere maatregelen, die Palestijnen het leven zuur maken. Pappe: „Het gaat alleen nu langzaam.”
Ook de psychologische achtergrond is dezelfde: veiligheid. Pappe vindt dat veiligheid in Israël een te absolute waarde is geworden, een obsessie, waardoor andere waarden verstikken.
Hij heeft in Israël nog maar weinig vrienden. Wat brengt iemand ertoe zo dwars in te gaan tegen de publieke opinie?Pappe groeide op als een gewone Israëlische jongen. Zijn ouders kwamen uit Duitsland. Ze waren ontkomen aan Hitler, veel andere familieleden overleefden de Holocaust niet. Hij vond 1948 de meest zuivere oorlog, die je maar kunt bedenken. In 1973 vocht hij vol overtuiging mee in de oorlog met Syrië en Egypte. Zijn eenheid, gelegerd op een heuveltop in de Golan, raakte zelfs dagenlang geïsoleerd toen het Syrische leger door de Israëlische linies brak.
Nu, ruim 33 jaar later, pleit hij voor boycotmaatregelen tegen Israël. Zijn universiteit in Haifa negeert hem, binnenkort emigreert hij naar Groot-Brittannië.Toeval speelde een belangrijke rol. Pas in het buitenland vielen hem de schellen van de ogen. Hij kreeg in 1978 de raad om in Oxford verder te studeren, niet uit liefde voor Palestijnen maar omdat hem dat betere kansen zou bieden op een academische carrière in Israël.
Als onderwerp koos hij de oorlog van 1948. En toen gebeurde het. Hij kon niet geloven wat hij in archieven zag, wat zijn landgenoten anderen hadden aangedaan. Pappe: „Ook ik had het beeld van de Joodse David tegen de Arabische Goliat. Maar wat ik aantrof was iets compleet anders.”Hij put uit Britse en Israëlische archieven. De Britten beheerden tot 1948 Palestina als mandaatgebied van de Volkenbond en later de VN. De Britse rapportages zijn feitelijk. Joodse rapportages, vrijgegeven in 1988, bieden meer inzicht in de bedoelingen. Pappe bestudeert verder archieven van de VN en het Rode Kruis. Ook Arabische rapportages neemt hij door.
De Palestijnse universiteit van Bir Zayt legt in een groot project mondelinge verhalen over 1948 vast, ook daar doet Pappe zijn voordeel mee. Pappe: „Het is zwart-wit. De Palestijnse visie op 1948 klopt in grote lijnen gewoon.”Hij vond ondersteuning voor de roman Bab Al-Shams van de Libanese auteur Elias Khoury. Khoury tekende in Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon talloze anekdotes op. Zijn monumentale raamvertelling begint met een bloedbad in de buurt van Tiberias in 1948, dat Pappe in de archieven terugvond.
Toen de ’nieuwe historici’ in de jaren tachtig hun visie presenteerden op ’1948’ was de afwijzing algemeen. Pappe: „Dat veranderde na de akkoorden van Oslo van 1993. Er ontstond bereidheid om feiten te erkennen. Na de mislukking van Oslo begon fase drie. Mensen bleven de feiten toegeven, maar zeiden dat de verdrijving terecht was geweest. Voor mij was dat het ogenblik om met het zionisme te breken.”
Maar had het dan anders gekund in 1948? Was het niet begrijpelijk dat mensen na de Holocaust maar een gedachte hadden: dit nooit weer? Veiligheid ten koste van alles?
Pappe: „Dat is de geaccepteerde visie, die je ook in het Yad Vashem museum tegenkomt. Eerst zie je daar alle gruwelen van de Holocaust, daarna is de boodschap dat Israël de oplossing is. Maar sinds 1945 zijn er in Israël ruim veertigduizend Joden gedood, door oorlog en terreur. Zo veilig is Israël dus niet. Klopt, je weet niet wat er ooit in Europa weer kan gebeuren. Maar een nieuwe Holocaust zal, vrees ik, eerder tegen moslims zijn gericht. Overigens hebben niet mensen die net ontkomen waren aan de Holocaust de etnische zuivering uitgevoerd, maar vooral personen die allang in Palestina woonden of daar geboren waren.”Volgens Pappe was er een alternatief: „In 1947 deden de VN het bekende voorstel om Palestina te verdelen in twee staten, wat de Arabieren afwezen. Maar er was ook een plan voor een binationale staat. Daar voelden de Arabieren wel voor. Ik denk dat het had gekund, het zou moeilijk zijn geworden, maar toch.”
„Hoe dan ook”, vervolgt hij, „je kunt niet blijven zeggen dat het grootste deel van het land Joods moet zijn, ter wille van jouw veiligheid. Dan loop je vast met je andere waarden.”
Maar hoe leg je dat aan Israëliërs uit, dat veiligheid niet boven alles gaat, als Palestijnen op satellietzenders zonder gêne vertellen dat er zoveel mogelijk gemoord moet worden?
Pappe: „Het is nog erger, er zijn Palestijnen die het niet bij woorden laten. Ik leef ook niet graag in een islamitische staat. Maar we moeten onder ogen zien dat het zionisme een koloniale beweging is. Mensen reageren daarop niet prettig. Je kunt niet alles ondergeschikt maken aan je eigen veiligheid. Eerst onze veiligheid, alle andere waarden, humanisme, socialisme, liberalisme, aan de kant ermee, dat kan niet. Ik wil niet een Zuid-Afrikaanse Boer worden.”Waarom wil hij boycotmaatregelen? Pappe: „Ik snap dat dat voor Europeanen bijna niet te verteren is. Kom eens in Duitsland vertellen dat je Israël moet boycotten. Toch, ik ben jaren actief geweest in de vredesbeweging. Ik dacht altijd dat de verandering van binnenuit moest komen. Maar dat lukt niet. De wereld zal op een nette manier duidelijk moeten maken dat het zo niet langer kan.”
Ilan Pappe: The ethnic cleansing of Palestine. One World Publications Limited, Oxford, ISBN 13:978-85168-467-0.
Bron: Trouw, 2 februari 2007
© Dries van Agt (2008) - Disclaimer - Hosted by WeHostIT